Nacht
Uit logeren. We waren nog heel klein.
We sliepen op de donkere zolder bij onze opa & oma. In zo’n oudere woning. Twee onder één kap. Hoflaan 4, Bilthoven.
Alles op die grote zolder was aardedonker. Ook overdag. Bruine houten muren en balken, bruine zware gordijnen onderaan de schuine muur. Met ijzeren ringen aan haken. Daarboven enkel een klein dakraam. Daar zag ik ’s winters muisstille sneeuwvlokken op het glas neervleien, die – hoopvol voor mij – bleven liggen. Dan werd de nachtelijke hemel altijd geel vanwege de weerkaatsing van de sneeuw op het aardoppervlak. En het dakraam werd wit. Een regelrechte domper was het om dan ’s ochtends vroeg het tikken van kleine witte korrels te horen op dat raampje, in een zachte ruis. Want ik wist dat het nu mis ging met mijn mooie droge sneeuw. Want zulke witte korrels betekenden meestal dooi. Nog weer even later, we waren al bijna uit bed, toonde het kleine dakraam datgene waar ik al bang voor was: een loodgrijze lucht. Mijn hoopvolle sneeuwwit was helemaal weg. De regendruppels hadden het dakraam schoongespoeld. Daar moest ik dan overheen zien te komen. Dooi. Sneeuwdompers, ik kende er vele. Want ik was verslaafd aan sneeuw. Dooi kon me gestolen worden. Dooi was mijn vijand. Ik bad thuis bij het voorbidden voor het eten om sneeuw.
Maar goed.
Nacht.
Uit logeren.
“Ssst…”
Mijn oudere broer en ik lagen in bed op die stikdonkere opa & oma-zolder. Hij sliep wat verderop, pal naast het bruine gordijn met de ijzeren ringen.
Opeens kwam hij midden in de nacht doodstil naar mij toe geslopen. Hij stootte me zachtjes aan. Met trillende stem fluisterde hij: “Ssst…! Er zit een meneer achter het gordijn!”
Hij leek in paniek. Ik keek in het verschrikte gezicht van mijn grote broer, voorzover ik hem kon zien. Ik zag doodsangst. En ik was op slag even bang als hij. Want als mijn grote broer bang was, – híj! – dan moest het heel ernstig zijn.
“Ik hoorde de ringen van het gordijn van de haakjes gaan! Op en neer!”
Maar meteen kwam hij met een strategie.
“Blijf stil liggen! Echt héél stil! Beweeg niets! Dan ga ik, zodra opa wakker is, naar beneden, om ons te helpen!”
Ik trilde over mijn hele lijf. Mijn maag draaide zich om, wee van angst.
En nu hoorde ik het zelf ook: de ijzeren ringen van het zware gordijn klingelden – op en af, op en af van de haken! Een zacht kling… kleng… kling… kleng… Vreselijk! Er zat dus écht een man achter dat gordijn! Ik hoorde het nu met mijn eigen oren.
Ik sliep niet meer in. Ik verroerde geen vin onder de dekens. Muisstil bleef het. Als een kleine tor hield ik mij voor dood, de pootjes ingetrokken – zoals de insekten dit al honderdmiljoen jaren doen.
Wat zou er allemaal gaan gebeuren? Hoelang zou het nog donker zijn voordat het ochtend werd en opa ons zou komen redden?
Licht
In mijn herinnering hadden we toch nog even geslapen, want in het volgende filmbeeld van mijn herinnering was het nu ineens licht, dat door het dakraam naar binnen scheen. Het had niet gesneeuwd.
Nog steeds was ik bang. Ik spitste mijn oren. Geen kling… kleng… nu meer.
Maar wanneer zou opa nou wakker worden en opstaan? Mijn grote broer stelde me gerust. Hij fluisterde: “Ik ga opa zo roepen, hoor!”
Ik moest nog even geduld hebben.
Ochtend op de overloop
In een volgend filmbeeld waren ik en mijn broer opeens beneden op de overloop, in onze pyjama aan het spelen. Blijkbaar had ik het toch zelf aangedurfd om die steile zoldertrap af te schuifelen – maar zo’n scene staat me niet meer bij. Daar op die overloop was het volle ochtend, de zon leek zelfs naar binnen te schijnen. En opa & oma waren allang in bedrijf beneden. Daar klonken geluiden uit de keuken. Maar nog steeds was er het beeld van de meneer achter dat gordijn.
Opa, kom nou
“Wanneer komt opa nou!” riep ik naar mijn grote broer. Had hij het eigenlijk wel aan opa verteld?
Maar hij, ook allang beneden op de overloop, zou opa nú echt gaan roepen.
En even later kwam opa eindelijk naar boven gestommeld. Of we ons nou eens even wilden gaan aankleden. Alsof het leven doodnormaal zijn aanvang had genomen. Maar hij was door mijn broer nu in elk geval ingelicht. Opa grijnsde meewarig naar ons.
“Maar ’t is écht, opa! Er zit een meneer achter het gordijn!”
“Jongens… doe niet zo raar!” Zoiets zei hij, hoofdschuddend. Maar ik drong aan, want opa wou niet eens de moeite gaan nemen om ook maar te gaan kijken op zolder, die steile trap op. Toen lachte hij: “Nou, laten we dan maar eens zien!”
En ik zag ik ‘m naar boven schuifelen, ons plichtsgetrouw gehoorzamend. Eindelijk. Mijn grote broer volgde hem op de steile trap. Ik kon maar beter beneden op de overloop blijven spelen. De zaak moest namelijk omzichtig aangepakt worden.
Even later kwamen opa en broer weer naar beneden. En inmiddels wist ik nu ook opeens zélf dat er helemaal niks aan de hand was geweest, daarboven. Dat hele beeld van die zware, zwarte donkerte van die zolder met dat stille spook dat me had doen trillen… in mijn bed met de pootjes ingetrokken als een tor, als schijndood… was helemaal foetsie. Waar hadden we ons druk over gemaakt? Het was allemaal niet echt gebeurd. Het woord “fake” bestond toen alleen nog in het Engels.
Het was opa – met zijn vriendelijke maar ongelovige blik, met zijn berustende tred die steile trap op, ons met tegenzin gehoorzamend – die mijn angst op slag had verdampt. De dag was begonnen. Gewoon een nieuwe dag.
Oma riep vanuit de keuken: “Komen jullie nou ontbijten?”
Angst.
Angst is macht.
Angst werd mij aangepraat.
Door mijn grote broer – die zelf bang was.
Onze eigen grote wereld
Deze donkere, koude zolder bij opa & oma – met de sneeuwvlokken op het kleine dakraam die daarna in witte korrels en daarna in regen veranderden, die zolder met die zware bruine gordijnen, slap afhangend aan die ijzeren ringen aan de haken, die nooit hadden getingel-tangeld – waarachter het vol stond met opbergtroep, met dozen, met een kinderwagen en met weet ik wat. Daar paste helemaal geen meneer achter het gordijn bij.
Die donkere zolder was onze eigen kleine grote wereld. De wereld van ons en van de grote mensen. Die ik nu had leren kennen. Mijn kleine grote broer was mijn eigen Big Brother – die zelf bang was en mij waarschuwde en mij wou beschermen tegen het onheil. Zijn eigen doodsangst had mij overmand, volkomen automatisch. Voor twijfel was geen plaats. Ik geloofde in dit geheimzinnige spook achter het zware gordijn – dat doodstille, sarcastische stuk vreten dat ons met zijn getingel-tangel aan de ringen met de haken wist te verstijven van angst – omdat ik mijn kleine grote bange broer geloofde. Zijn gebod om mezelf muisstil te houden leek een zekere uitweg – het vooruitzicht van onze ultieme redding door opa in het ochtendlicht.
Zo sleepte mijn kleine grote broer mij door die trage uren in die donkere zolder. Hou je koest. Vechten heeft geen enkele zin. Een betere Big Brother ben ik daarna nooit meer tegengekomen.
Vila Baleira, Porto Santo (Pt)
Een kleed hangt aan een balk omlaag
en het beweegt haast net zo traag
als het vergaat
Wat ligt daarachter op dat bed?
‘t Is als je ‘t mij vraagt, het skelet
van een soldaat.
Oude Zolders – Willem Wilmink
