De blauwe bal. Het is een scherp beeld: in ons zomerhuis in Assel op de Veluwe.
Mijn eerste herinnering, voorzover ik weet. Ik was drie, dat wist ik zeker. Ik kreeg ‘m voor mijn verjaardag. Keihard plastic, ondoorlaatbaar. Verzaligd van blij geluk bleef ik maar met mijn blauwe bal heen en weer rollen op de houten vloer van ons zomerhuis. Overal zaten randen langs de omtrek. Samen vormden die randen allemaal driehoeken. Zou het me lukken om de bal langs die randen te laten rollen? Steeds maar heen en weer, probeerde ik, steeds turend of de route van de bal zo’n rand zou kunnen aanhouden. Of dat zo’n rand de route zou kunnen aanhouden. Wat niet lukte, wat nooit lukte. Maar het ronde ervan leidde wel altijd tot een doorrollen. En dat doorrollen zou niet hoeven eindigen, dat zou eeuwig kunnen doorgaan. Tot aan de donkere muur van de kamer. Altijd tot aan die ene donkere muur en nooit eens een andere kant op. Onze houten zomerhuisjesvloer was niet waterpas.
Mijn blauwe bal was mijn ontdekking van de circulariteit der dingen. Later leerde ik dat de aarde ook een ronde blauwe bal was. Dat zag ik in allerlei astronomische boeken met veel plaatjes. En die plaatjes tekende ik na op de kleuterschool. Precies hetzelfde was onze aarde dus als mijn blauwe bal. Zo klein, zo groot.
Samen spelen
Mijn kleine broertje mocht er eerst niet aan komen, want het was mijn bal. Want ik had ‘m gekregen. Van mijn mam. Voor mijn derde verjaardag. Maar later trad de dooi in rond mijn eigendom, op voorschrift van mijn ouders. Vanaf toen mochten wij er steeds samen mee spelen. Mijn hebzucht sleet.
Opgegaan in eeuwigheid?
Veel later zag ik mijn blauwe bal weer terug. Misschien had deze jarenlang in onze speelgoedkast verstopt gelegen. Geen idee. Onze berg speelgoed werd namelijk elk jaar gewisseld door mijn ouders, zodat de opgeborgen berg na een jaar weer als verrassend nieuw tevoorschijn kwam. Maar mijn blauwe bal had nooit deelgenomen aan die jaarcyclus, want anders zou ik die immers steeds per jaar weer zijn tegengekomen. Tot op de dag van vandaag sta ik voor dit raadsel. Mijn blauwe bal leek de tijdelijke speelgoedverdwijningen te zijn ontglipt – als in de eeuwigheid opgegaan.
Wat was mijn blauwe bal klein geworden toen ik die veel later in Vinkeveen opeens weer terugzag – daar in ons nieuwe zomerhuisje. Ik was zelf gegroeid. Al negen jaar was ik nu.
Overschieten
Op het landje tussen de zomerhuisjes op jachthaven De Plasmolen voetbalden we ermee – ik samen met mijn broertje – en nooit samen met andere jongetjes van ons zomerhuisjesterrein. En altijd zonder winstoogmerk. Eigenlijk nogal eentonig:
steeds alleen maar naar elkaar toe schoppen, vanaf diverse onderlinge afstanden. Hoe verder we van elkaar af stonden hoe beter. De kunst was daarbij slechts om de bal op te vangen, hoe dan ook tegen te houden, en deze dus niet over jezelf heen weg te laten vliegen. De beste manier was: hard schoppen, zo hard mogelijk. De blauwe bal moest onbereikbaar zijn voor mijn tegenstander – mijn lieve broertje – onbereikbaar als een raket die de geluidsbarriëre doorbreekt.
Een tweede strategie was: hoog schoppen, zo hoog mogelijk. Liefst scheerde mijn bal als een kunstmaan door de ruimte – zoals onze blauwe aarde immers ook eeuwig door de ruimte scheert.
Als de bal over het hoofd van mijn broer heen vloog was het dus lachen geblazen voor mij. Dat gaf een overwinnaarsgevoel. Zoals een oorlog vaak begint met een reeks eerste schimpschoten richting de vijand, zo moest de opperbevelhebber in dienst van een agressieve staat zich voelen zoals ik.
Soms speelden we ons vreedzame overschieten weleens voor punten, zodat er toch een soort einduitslag tot stand kwam. Dat gaf soms ruzie.
Beide methoden – hoog en hard – leidden vaak tot een landing in de tuinen rond de zomerhuisjes. Dat gaf oorlog tussen het volk en mijn bezorgde ouders.
Soms speelden we ons vreedzame overschieten weleens voor punten, zodat er toch een soort einduitslag tot stand kwam.
“Opróttuh!”
Vooral in de tuin van tante Minnie – die tureluurs werd en schreeuwend dreigde een mes in mijn blauwe bal te steken. Waggelend onder haar overgewicht kwam ze steeds op ons af. Horendol was dat mens.
“Opróttuh! Opróttuh!”
“Ga naar je moer!”
Ik wist toen nog niet wat “moer” betekende. Ja, je had schroeven en moeren, zoveel wist ik.
We lachten om tante Minnie. Ze was hysterisch. Ik deed haar na, schreeuwde terug zodra we weer op het landje met de bal heen en weer schopten. En daar kwam ze weer haar huisje uit, krijsend als een krolse vechtkat.
Stuiter stuiter stuiter
Eén keer probeerde Minnie het ons uit te leggen. Ze zette haar hoofd in de ratio-stand.
“Kom nou es hier jullie, zal ik je ’s laten hóren hoe klóte dat klinkt!”
Ze pakte onze bal beet en begon ermee wild heen en weer te stuiteren op haar tuintegels – als een ware basketbalspeelster.
“Hoor je ’t nou! Hoor je ’t nou! Hoe irritant dat is? Dat geluid steeds? Steeds maar weer! De hele dag door!”
Stuiter – stuiter – stuiter – zei de bal.
Wij herinnerden ons niet dat we de hele dag met de blauwe bal in de weer waren, laat staan dagenlang. Een half uurtje leek me al veel. Wel weet ik nog dat we geen weerwoord hadden op haar aanschouwelijke uitleg. Haar hysterie vond ik dolkomisch. We hoorden haar soms ’s avonds ook binnenskamers tekeer gaan.
Iets in mij kreeg medelijden met haar. Iets in mij voelde met haar mee.
Proleten
Tante Minnie was voor ons geen enkele risicofactor. Maar Ome Kees, dat was andere koek. Haar man. Groot en zwaar. Met zwarte haren op zijn buik. Die wilde soms ook weleens naar buiten komen om ons de les te lezen. En ook hij vloekte.
Maar dreigender vond ik dat hij weleens de daad bij het woord kon voegen en onze blauwe bal daadwerkelijk de nek zou kunnen omdraaien – daartoe achtte ik hem in staat en bereid.
Nóg dreigender dan Ome Kees was Ome Remy. Deze oude lange slungel zei bijna nooit wat, maar zijn blik was vernietigend. Een kerel met kikkerogen. Hij drentelde altijd overal rond, dicht bij de duivel zelf.
“Wees maar de wijste!”
Meer dan eens werd er met mijn ouders over ons voetbalgedrag gesproken. En ons werd dan te verstaan gegeven om maar wat minder hard te ballen. Mijn mam zei me dan geruststellend: “Wees nou maar de wijste! Dat mens is gek.”
En we moesten maar zeker niet meer steeds als kleine zeikerige imitatoren terug gaan staan schreeuwen. We hielden ons maar ten dele aan onze moederlijke instructie. Ik provoceerde Minnie tot het uiterste, vooral door lacherig te blijven doen.
Mijn mams’ waarschuwing was te soft. Bovendien droop haar eigen minachting voor die tante Minnie er vanaf – van dat “hysterische rotmens”. Mijn pappa vond dat precies zo. En Ome Remy was volgens hem een “rotschoft”. Een “proleet”. Trouwens de meeste “Omes” van het landje hier heetten “proleten” – volk van de onderste plank. En wat mijn vader zei was waar. Ik wist dat wat hij zei klopte, want een proleet was een oud woord voor arbeider.
Bouwvakkers, stukadoors, metselaars waren het – deels in ruste. En die familie Koperdraat was zó anders – zo ongeveer in alles anders. Kunstschilders, bohemiëns. Mijn pa straalde trots uit, met zijn golvende haardos en zware zonnebril. En die lachende jochies van ‘m, met dat lange “Beatle-haar” – wat in die tijd van de vroege jaren zestig ongeveer gelijk stond met goor en ongewassen.
Een hond zag het immense verschil tussen mijn ouders plus ons en het werkvolk op ons landje tussen de zomerhuisjes.
Ik voelde de haat in deze kleine Koude Oorlog. Ingehouden woede van de Omes die hun ingebakken fatsoen op de proef stelden maar elk moment in een vechtstand konden schieten. Op ons – zo anders, zo ongeloofwaardig begripvol, zo pacifistisch en altijd maar vol redelijkheid over beide partijen. Superieur. Anti-oorlog.
Ons. Wij. Van een andere blauwe wereld.
Geen Minnie meer
Wij balden lustig door – heen en weer, heen en weer. Mijn blauwe voetbal was al die tijd gespaard gebleven. Nooit had tante Minnie er een mes in gestoken. Mijn bauwe bal kon niet stuk. We werden genegeerd. Er was zelfs opeens helemaal geen kwaaie tante Minnie meer, zelfs niet toen onze bal nog een keer in haar tuin vloog. Ook geen getier meer binnenskamers.
Er was iets gebeurd – iets rond haar gezondheid. Dat hoorden we. Maar wat? Dat zijn we dus allemaal vergeten.
Echte vragen stel je vaak pas als je het hele verhaal weer terughaalt.
Weg blauwe bal
En ook nooit zal ik nog weten waar mijn blauwe bal ooit gebleven is. Waarschijnlijk in de houten opbergkist blijven liggen, die we totaal vergeten waren in te laden tijdens de ontruiming na het laatste jaar van ons huisje. Alle spelletjes zoals Halma en Scrabble en Mens Erger Je Niet waren sindsdien ook spoorloos. Waarschijnlijk ook in die kist achtergebleven. En niet te vergeten de grijze knijpkat: een echte originele nog, van de oorlog.
Ik vond het nooit erg dat we die spullen kwijtgeraakt zijn. Het doet er niet toe.
Maar de blauwe bal had ik graag bewaard – als symbool van het rollen en ronddraaien in Assel en van het heen en weer ballen met mijn broertje en van de gevaren die op de loer lagen op ons slagveld tussen de huisjes van onze “proleten”.
Als symbool van mijn aarde – die ook rond is en blauw.
Reinout Koperdraat
